De Algemene Rekenkamer beveelt het kabinet aan een integrale visie op het energie- en klimaatbeleid op te stellen die helderheid verschaft over de economische en maatschappelijke baten van energiebesparing, duurzame energie en een CO2-arme energievoorziening; ook dienen de doelen van het energie- en klimaatbeleid duidelijk te zijn en de samenhang daartussen.
Om te komen tot substantiële energiebesparing is aanpassing van het energiebesparingsbeleid voor de energie-intensieve industrie nodig. De Algemene Rekenkamer denkt aan specifieke beleidsinstrumenten gericht op de industriebedrijven die niet deelnemen aan de Europese CO2-emissiehandel.
Verder zou het kabinet in Brussel moeten pleiten voor nationaal bindende energiebesparingsdoelstellingen voor alle EU-lidstaten. Zodra er op dit terrein nieuwe Europese richtlijnen zijn, dient Nederland deze snel en zonder terughoudendheid te implementeren en te handhaven.
Uit monitorgegevens blijkt dat de energiebesparing in Nederland al jaren achterblijft bij de ambities van de overheid. De Algemene Rekenkamer heeft onderzocht hoe het komt dat de doelen voor energiebesparing niet worden gehaald en welke consequenties dat heeft voor de nationale en Europese energie- en klimaatdoelen voor 2020. Ook hebben zij gekeken welke mogelijkheden er zijn om het energiebesparingsbeleid effectiever te maken.
Het energiegebruik in Nederland is in de periode 1995-2007 met 11% toegenomen en niet met maar 4%, zoals de overheid had gepland. Hierdoor is ook 13 megaton (Mton) meer CO2 uitgestoten dan de bedoeling was. Het energiebesparingsbeleid werkt dus onvoldoende. Zij hebben hiervoor drie oorzaken gevonden:
1. De overheid heeft in de achterliggende jaren minder en ook minder krachtige maatregelen genomen dan vooraf in studies als noodzakelijk was ingeschat.
2. Het beleid voor de energie-intensieve industrie heeft betrekkelijk weinig opgeleverd. In de periode 1995-2008 was het effect gemiddeld 0,3 tot 0,4% energiebesparing per jaar, op een totale nationale besparing van 1,4% energiebesparing per jaar.
3. Het beleid voor de industriesector sluit maar gedeeltelijk aan op motieven van ondernemers om in energiebesparing te investeren. De overheid richt zich vooral op het verlagen van de kosten van energiebesparende voorzieningen. In de praktijk spelen echter ook andere beweegredenen een rol als het gaat om energiezuinig gedrag.
Sinds 2008 is er nóg een factor die het energiebesparingsbeleid minder effectief maakt: het CO2-emissiehandelssysteem van de EU. Dit systeem houdt in dat bedrijven die veel CO2 uitstoten (fabrieken, elektriciteitscentrales) moeten beschikken over ‘emissierechten’. Deze rechten zijn verhandelbaar. Juist door die verhandelbaarheid verzwakt het Europese systeem de effectiviteit van het nationale energiebesparingsbeleid. Immers, bedrijven die met behulp van bijvoorbeeld een nationale subsidie voor isolatie hun CO2-uitstoot omlaag weten te brengen, houden emissierechten over die ze zelf kunnen gebruiken of kunnen verkopen. De CO2-emissie die dankzij Nederlandse maatregelen voor energiebesparing aanvankelijk is vermeden, komt er dan alsnog, op een ander tijdstip en waarschijnlijk in een ander land van de EU.
Effectiever beleid nodig om CO2-uitstoot terug te dringen
Het kabinet-Rutte/Verhagen heeft in het regeerakkoord gezegd het energiebesparingsbeleid van het vierde kabinet-Balkenende te zullen ‘voortzetten en versterken’. Aangezien het vorige kabinet zijn ambities niet heeft kunnen waarmaken, zal bij gelijkblijvende of hogere ambities het energiebesparingsbeleid aanzienlijk effectiever moeten worden.
Dat geldt ook voor het beleid om de CO2-uitstoot terug te dringen. Het is niet waarschijnlijk dat bij voortzetting van het beleid van het kabinet-Balkenende het voor Nederland geldende doel voor CO2-reductie in 2020 zal worden gehaald. Dit betekent dat ook voor reductie van de emissie van CO2 effectiever beleid nodig is dan tot nog toe is gevoerd.
Meer informatie: De Algemene Rekenkamer